Zomertijd: “Meneer, gaat het wel?

Gewoon op een gewone fiets, drie versnellingen, in dat mooiste stukje Nederland dat Het Hogeland toch is. Een strohoed op en een zonnebril. Meer is niet nodig voor een kick-voor-niks. Zo in een cirkel van tien kilometer, in het begin de wind tegen, later op de terugweg wéer wind tegen. En eeuwig streelt of geselt de wind het al bijna rijpe koren of de aardappelplanten of het raaigras of de mais.

Ik sta stil want ik wil rustig even kijken hoe de zichtlijnen van een dorp lopen. Gewoon genieten van hoe het in elkaar zit. Fiets tussen de benen, armen op het stuur leunend.

Stopt een auto, raampje open en de bestuurder vraagt indringend: “Meneer, gaat het wel? Bent u niet goed?”

Ik leg uit dat alles echt in orde is en dat ik sta te genieten van het uitzicht. En ik bedank hem voor de aandacht. En met een zwaaiende groet rijdt hij verder.

De moraal van het verhaal?

Er is een autorijder die zich om een fietser bekommert./BM